Monday 6 April 2020

Ruimtereisje (Sophie Kroezen)

Geplaatst op 7 maart 2014 door   ·   Geen reacties

sophie kroezen 450 350Toen het portaal voor hem verscheen, rende hij er zo snel als hij kon naartoe. Hij mocht geen moment aarzelen, want dan zou de enigste doorgang naar het ruimteschip voor zijn neus sluiten. Een tweede kans om er doorheen te gaan zou hij niet krijgen, het moest nu goed gaan.
Toen hij er op tijd door was, zuchtte hij opgelucht, maar hij voelde spanning door heel zijn lichaam. Waar zou hij terechtkomen? Binnen een paar seconden zou hij het weten. Het werd helemaal zwart om hem heen en stiekem werd hij toch wel een beetje bang. Dit was wat hij graag wilde – eens naar een echt ruimteschip gaan, oog in oog met aliëns staan – maar wat als hij niet meer terug zou kunnen komen op Aarde?
Hij was geobsedeerd door aliëns, als vanaf dat hij een klein jochie was. Je hoefde maar het woord ‘aliën’ zeggen of zijn aandacht was getrokken.
Toen zijn zus had verteld dat ze aliëns had gezien in het bos achter hun huis, had hij haar ongelovig aangekeken. Vervolgens had hij zijn hoofd geschud, het was vast een flauwe grap. Zij wist hoe erg hij hoopte op leven buiten de planeet Aarde en plaagde hem daar graag mee. Zelf was ze er van overtuigd dat mensen de enige levende wezens in het heelal waren.
Toch was hij wel nieuwsgierig geworden, wat als het géén grap was? Als er echt buitenaards leven bestond en dat te vinden was vlak bij zijn huis?
Hij had besloten dat hij die nacht zou gaan kijken op de plek die zijn zus beschreven had. Bibberend van de kou had hij gewacht op enig teken van aliëns. Misschien zouden ze niet komen, maar je wist maar nooit.
Hij zat er al een tijdje toen er opeens wezens voor hem verschenen, die zonder twijfels buitenaards waren. Hij kon zijn ogen niet geloven. Dit was waar hij op gehoopt had. Buitenaards leven bestond, en het bewijs zweefde recht voor hem. Hoe ze eruit zagen was moeilijk te beschrijven met Aardse woorden, maar als je het dan toch probeerde kwam ‘felgekleurde lichtgevende bollen’ dicht in de buurt.
Hij was vastbesloten om ook door de doorgang te gaan, om te zien waar ze vandaan kwamen. Hij was zo nieuwsgierig naar hun omgeving en leefwijze. Hij vermoedde dat ze op de Aarde kwamen door teleportatie en dat de boog waar ze uit kwamen en weer in verdwenen een portaal naar hun schip was. Hij had geen idee welk ras ze waren en dus ook niet waar ze leefden, maar daar zou hij hopelijk snel achter komen.
Vannacht had hij zich opnieuw schuilgehouden, hopend dat de poort zich weer zou openen. En dat was gebeurd, tot zijn grote geluk.
Toen het weer lichter om hem heen werd, viel zijn mond open van verbazing. Hij keek om zich heen, hij was niet langer op Aarde maar zweefde nu ergens in het grote universum! Hij moest zich inhouden om niet te gaan springen en juichen van blijdschap, want dat zou zijn aanwezigheid op het ruimteschip verraden. Op een paar meter voor hem zweefden een aantal van de wezens in een rij en hij wachtte geduldig tot ze weg waren. Toen ze helemaal uit het zicht verdwenen waren en hij ze ook niet meer hoorde – ze maakten een vreemd geluid terwijl ze zweefden – zette hij een paar passen naar voren. Hij was klaar om het schip te verkennen.
Zo onopvallend mogelijk liep hij door de gangen, het leek net een doolhof. Een paar keer moest hij zich verstoppen, omdat de vreemde wezens af en toe in de buurt waren, soms gevaarlijk dicht bij hem. Als hij ontdekt zou worden, zouden ze hem zeker gevangen nemen en nooit meer laten gaan. Hij was een indringer hier. Mensen waren op dit schip niet gewenst, daar was hij zeker van.
Toen hij bij een ruimte kwam waar heel veel van de vreemde, bolvormige wezens waren, wilde hij zijn mobiel pakken om wat foto’s te maken. Bewijs, dat hij als mens op een ruimteschip was geweest. Hij voelde in zijn zakken, maar die waren leeg. Hij zuchtte. Geen bewijs. Niemand zou hem geloven. Het klonk ook te mooi om waar te zijn, maar hij wist wel beter. Aliëns bestonden, en hij was nu op hun schip.
Na een tijdje liep hij weer terug naar de ruimte waar hij ook binnengekomen was. Naast het portaal hing een scherm met tekens, die hij als mens niet snapte. Waarschijnlijk moest hij een code invoeren, maar hij had geen flauw idee wat. Op goed geluk probeerde hij een paar willekeurige combinaties, maar niks werkte. Bijna had hij de moed opgegeven, zich erbij neergelegd dat hij nooit meer op Aarde zou terugkeren, toen de poort zich met veel geluid opende. Hij verstopte zich, wachtte tot de wezens verdwenen waren en glipte toen zelf door de poort.
Het volgende moment stond hij weer midden in het bos. Hij besefte nog steeds niet helemaal dat de afgelopen periode echt gebeurd was, het leek zo onwerkelijk. Zijn grootste droom was uitgekomen, iets wat hij niet voor mogelijk had gehouden.
Hij draaide zich geschrokken om toen hij geritsel achter zich hoorde en zag zijn zus staan. Hij rende blij op haar af.
“Ik ben op een ruimteschip geweest, ik heb aliëns gezien!” riep hij enthousiast. “Ze waren felgekleurd, en..”
Hij stopte met praten toen hij zijn zus zag lachen. Ze stond hem gewoon uit te lachen..
“Je verzint maar wat,” antwoordde ze terwijl ze haar hoofd schudde. Ongelofelijk, haar broertje was ook zo goedgelovig als het om aliëns ging. “Denk je nou echt dat dat verhaal over die aliëns waar was?”
Hij keek haar geschokt aan. “Ik heb ze echt gezien!” probeerde hij nog, maar het had geen nut. Ze zou hem niet geloven, niemand zou hem geloven.
“Kom, we gaan naar huis.” Ze trok hem aan zijn arm mee, richting de rand van het bos. Hij keek nog eens achterom. Het portaal was verdwenen, maar zijn herinneringen aan deze bijzondere reis niet.

Sophie Kroezen
Lyceum de Grundel
4V2

Reacties (0)




Agenda